
Buiten regent het hard, de druppels kletteren op het golfplaten dak. Maar binnen is het warm en donker. Janvier en Emelyne (beide 25 jaar) hebben het goed met elkaar en hun kleine zoon Lucky (3 jaar). Ze lachen en kletsen samen in hun huis in Rwamagana, op het platteland van Rwanda. Zodra de zon weer doorbreekt, haasten ze zich naar buiten om alvast wat dodo voor het avondeten te oogsten.
“Het is belangrijk dat vaders én moeders betrokken zijn bij de opvoeding. Een kind heeft beide ouders heel hard nodig. Toch is dat in onze regio vaak een uitdaging.” Dit waren de woorden van vader Janvier vorig jaar mei, bij de start van het programma Turakura Kids Rwanda. Zijn verhaal illustreert wat de ontwikkeling van veel kinderen in de weg zit: vaders zijn vaak onvoldoende betrokken bij de opvoeding, en de hoge druk om geld te verdienen zorgt voor veel stress. Janvier legt uit: “Ik wil graag meer betrokken zijn bij de opvoeding, maar ik weet niet hoe. Ik moet toch ook zorgen voor het inkomen? Moet ik streng zijn, of juist niet? Ik zie weinig voorbeelden van andere betrokken vaders om mij heen. Mijn eigen vader was dat ook niet. We hebben begeleiding en kennis nodig.”
Elke dag een ei
Terug naar nu, een jaar later. “Het gaat goed met ons,” zegt Janvier met een grote glimlach. Janvier en Emelyne hebben samen met 145 andere ouders in het dorp de ouderschapstraining van het programma afgerond. Deze ouders kwamen een jaar lang in groepen bij elkaar om te praten over hun dagelijkse worstelingen als ouders, en om beter samen te werken als gezin. “We hebben veel geleerd, te beginnen bij onze levensstijl, bijvoorbeeld hoe we een gebalanceerde maaltijd kunnen maken voor onze zoon. Vroeger aten we nooit groenten, maar nu wel. En we geven Lucky elke dag een ei, dat versterkt zijn immuunsysteem en helpt bij zijn groei. We weten nu dat hij heeft vitamines en eiwitten nodig heeft.” Emelyne voegt toe: “We werken nu echt als een team. De taken zijn eerlijker verdeeld en Janvier voelt zich ook verantwoordelijk voor het huishouden.” Dat beaamt ook haar man: “Ook ik weet nu hoe ik beter voor Lucky kan zorgen. Ik voed hem nu op zonder hem pijn te doen door hem te slaan. Dat geeft me veel rust.”

Morgen wordt het beter
De komende tijd zullen Janvier en Emelyne verder gaan in een zelfhulpgroep, waar ze samen met andere gezinnen gaan werken aan een hoger inkomen. “Het is onze verantwoordelijkheid om onze situatie te veranderen,” zegt Janvier. De dagelijkse realiteit heeft invloed op ons kind: als we gaan werken, moeten we Lucky alleen thuis achterlaten. Maar als we hem meedragen op onze rug en hij gaat huilen, dan moeten we kiezen: of we negeren hem, of we krijgen minder betaald doordat we minder werk kunnen doen.” Janvier en Emelyne blijven daarom de komende jaren bouwen aan verandering én zetten Lucky op de eerste plaats. Janvier zegt hierover: “Mijn hoop is dat Emelyne niet meer zo veel hoeft te werken om te overleven, zodat ze meer tijd met Lucky kan doorbrengen. Ik wil dat hij nooit iets tekortkomt.” Emelyne voegt toe: “We geloven dat het morgen beter wordt, zeker nu we trainingen krijgen in het programma. Onze overtuiging? Uit geloof kun je gelukkig leven!”

Dit mooie gezin bidt elke ochtend en avond samen. Wij bidden met ze mee. En we blijven ons inzetten, mede dankzij de steun van vele supporters, voor een goede start voor kinderen in Rwanda. Sámen groeien en leren we!

De 11-jarige Amini zoekt al haar leven lang veiligheid. Ze is een van de honderdduizenden kinderen uit DR Congo die op de vlucht zijn voor geweld. Dit is haar verhaal.
Amini vertelt: “Ik was op het land bonen aan het planten met mijn moeder en zus toen we plotseling geweerschoten hoorden. We begonnen meteen te rennen. Op blote voeten, onze schoenen lieten we in alle haast achter. We kwamen terecht in een vluchtelingenkamp waar we de eerste nacht alleen een zeil hadden om op te slapen. We lagen buiten in de regen.”
‘De kogels gingen dwars door alle tenten heen’
Het leven in het kamp is zwaar, ook voor de moeder van Amini. Zij sterft enige tijd later. Amini blijft samen met haar zus alleen achter. Hun vader leeft al niet meer. “Gelukkig werden we geholpen door hulporganisaties. In totaal verbleven we drie jaar in het kamp. Al die tijd konden we niet naar school”.
De situatie blijft onveilig. Amini vertelt: “Ik was met mijn zus in Goma om langs de deuren te gaan voor eten toen de rebellen M23 binnenvielen en er opnieuw geweld uitbrak. De kogels gingen dwars door alle tenten heen waardoor er veel mensen stierven of elkaar kwijtraakten in de chaos.”
Een veilige plek
Amini en haar zus moeten opnieuw vluchten. Onderweg worden ze opgevangen door een vrouw die ze van thuis kennen. “Ze vroeg waar onze moeder was en zei dat we bij haar konden blijven. Ze nam ons mee naar het kamp waar we nu verblijven. Dankzij haar kunnen we hier weer naar school”, vertelt Amini trots.
Ik heb geleerd om niet te blijven denken aan wat er gebeurd is.
In het kamp is ook een veilige plek van Red een Kind. Daar krijgen de zusjes mentale begeleiding en kunnen ze spelen. “Ik heb geleerd om niet te blijven denken aan wat er gebeurd is. Samen met mijn vrienden doe ik mee aan verschillende activiteiten. Dat geeft rust. Ik hoop dat Red een Kind hier nog jaren blijft en nog veel meer kinderen kan helpen.”


Het helpen van kinderen in achterstandsituaties, heeft hun hart. Vroeger deden ze dat samen als gezin, nu hun kinderen de ‘deur’ uit zijn, zetten zij zich nog steeds in. Niet zo raar als je bedenkt dat Jan (77) en Henny (76), vanwege hun werk vrijwel dagelijks geconfronteerd werden met kinderen. Vanuit de overtuiging dat kinderen altijd een kans verdienen op een veilige jeugd en het ontwikkelen van talenten, “zamelden ze geld in voor kansarme kinderen op Bali” en steunen ze Red een Kind vanaf de oprichting.
Veiling
Toen Red een Kind dit jaar met het initiatief kwam om waardevolle spullen te laten veilen voor projecten van Red een Kind, besloten ze direct hieraan mee te doen. Als vanzelfsprekend schonken ze antiek zilver wat onder andere uit een erfenis kwam. “Generaties is het in de familie geweest”, vertelt Jan. “Ik weet precies waar het stond bij onze grootouders en dat er flink voor geploeterd en gespaard is.” Emotionele waarde? Henny: ”jazeker. Maar meer ook niet!”
Het echtpaar komt uit een generatie waarbij ‘rentmeesterschap’, en ‘genoeg is genoeg’, vanzelfsprekend zijn. “Sowieso was er sprake van verantwoordelijkheid naar elkaar en velen gaven aan de kerk en verwante organisaties.” Omdat uit onderzoek blijkt dat het groepsdenken afneemt, “zou het wat ons betreft goed zijn om mensen weer te prikkelen en kapstokken te bieden om hierin verandering te brengen”, aldus het echtpaar.
Weggeven is leuk. Waarom? “In de eerste plaats, omdat het voldoening geeft iets te doen voor anderen”, maken Jan en Henny duidelijk. Zo hadden ze meubels in huis die waardevol bleken te zijn. “Die zijn naar een museum in wording gegaan.” Door de jaren heen kwamen er meer – soms ook – waardevolle spullen in hun huis. “Vanuit erfenissen, of zaken die we zelf aanschaften. Ons huis is groot genoeg en alles vond wel een plekje.”
Emotionele waarde? Zeker, maar meer ook niet!

Last
Henny: “Evenals onze leeftijdsgenoten kom je een keer voor de vraag te staan: ‘Wat gaan we doen met al die spullen? Het kan toch niet zo zijn dat we onze kinderen opzadelen om alles in een container te laten afvoeren?” Jan: “Zeker wanneer ook de vraag aan de orde komt kleiner te gaan wonen en de kinderen het niet nodig hebben of niet willen, kan bezit zo maar een last worden en zelfs je levensvreugde bederven.”
Het idee van Red een Kind om kostbare spullen te veilen voor dit goede doel, spreekt mensen aan, denken Jan en Henny. “Je weet dat jouw verzameling terechtkomt bij mensen die hiervoor echt interesse hebben. Het opgeleverde geld gaat naar Red een Kind om zinvol te besteden voor al die projecten in Afrikaanse landen en in India. Dat je als gever van de spullen de veilingopbrengst mag aftrekken van de inkomstenbelasting, is mooi meegenomen.”
Ontspullen
Jan en Henny adviseren Red een Kind om door te gaan met de taxatiemiddagen in de Kringloopwinkels voor Red een Kind. “Daar ontmoet je mensen die op een goede manier willen ontspullen, door hun (waardevolle) spullen weg te geven. Misschien is het organiseren van ouderenmiddagen in kerken ook een middel om schenken en nalaten onder de aandacht te brengen.”
Henny: “Je hoeft echt niet beschroomd te zijn om hierover met mensen te praten. Bij vrienden in de kerk én daarbuiten merken we dat het normaal is om hierover na te denken. Het zou juist onlogisch zijn het gesprek niet aan te gaan. Iedereen snapt dat je dit niet voor jezelf vraagt, maar voor al die kansarme kinderen. Wat ons betreft prikkelt Red een Kind veel meer mensen om hierover na te denken. Via veilingen, ouderenmiddagen in kerken, taxaties, voorlichting, de ouderenvakorganisatie, noem maar op.”
In de Democratische Republiek Congo groeien honderdduizenden kinderen elke dag op tussen geweld, angst en onzekerheid. Onbezorgd kind zijn is er allesbehalve vanzelfsprekend. Toch zijn er ook lichtpuntjes, middenin alle chaos. De 13-jarige Irene en haar jongere zusje Fina raakten alles kwijt, maar vonden hoop bij de veilige plek van Red een Kind.

Ruim een jaar geleden woonde Irene met haar vader, moeder, twee broertjes en zusje Fina in een dorp in Masisi, Oost-Congo. Irene vertelt: “Op een dag hoorden we geweerschoten. De situatie was zo ernstig dat mijn moeder, Fina en ik begonnen te rennen. Sinds die dag hebben we mijn vader en broertjes niet meer gezien. We weten niet waar ze zijn heengegaan.”
Op de vlucht
Het gezin wordt opgevangen in een vluchtelingenkamp in Goma, waar Irene en haar zusje Fina weer naar school kunnen. Toch blijken ze ook daar niet veilig. “Toen we in de klas zaten, hoorden we opnieuw schoten en bommen. Ik ben samen met mijn zusje naar onze tent gerend, maar die was verwoest en onze moeder was nergens te vinden,” vertelt Irene. “Daarom volgden we de stroom van vluchtende mensen, zonder te weten waarheen. Gelukkig werden we opgevangen door een vrouw: Nathalie. Ze beloofde dat ze zou helpen om onze moeder te zoeken.”
Een paar dagen later komt Nathalie niet meer thuis. Irene blijft samen met haar zusje en de zes kinderen van Nathalie alleen achter. “We voelden ons niet meer veilig, eerder hadden twee soldaten de deur al opengebroken en ons mishandeld.”
Liefde en herstel
Toch is er hoop… In het dorp is een veilige plek van Red een Kind. Op deze plek, herkenbaar aan de witte Red een Kind-tent, kunnen Irene en haar zusje in een veilige en rustige omgeving weer kind zijn. Ze krijgen de zorg, liefde en aandacht die ze nodig hebben, maken muziek samen en doen mee aan educatieve spelletjes. Irene vertelt: “Het leven is niet makkelijk, maar sinds ik hier ben, heb ik weer hoop. Hoop op dat ik mijn moeder zal vinden en dat we weer terug naar huis kunnen. Mijn zusje en ik willen graag weer naar school, net als andere kinderen.”

In de Democratische Republiek Congo groeien honderdduizenden kinderen elke dag op tussen geweld, angst en onzekerheid. Kinderen raken al op jonge leeftijd getraumatiseerd door wat ze hebben gezien of meegemaakt. Onbezorgd kind zijn is hier allesbehalve vanzelfsprekend. Een veilige plek midden in alle chaos geeft kinderen weer hoop en kracht: “Ik vergeet even wat er allemaal is gebeurd.”

Een gezonde start is voor iedereen van levensbelang. De eerste levensjaren zijn cruciaal voor de ontwikkeling van een kind, zowel fysiek, emotioneel als sociaal. Als kinderen in deze fase geen veiligheid, rust en ruimte krijgen om te spelen en te leren, lopen ze blijvende schade op. Ze verliezen niet alleen hun kindertijd, maar ook hun toekomst.
Extreem geweld
Als Red een Kind bieden we kinderen in crisisgebieden zoals DR Congo een plek waar angst en geweld plaatsmaken voor lachen, spelen, creativiteit, emotionele ontwikkeling en vooral: kind zijn. Voor kinderen in DR Congo is dit van levensbelang. Ze zijn net als hun ouders en familie vaak al hun leven lang op de vlucht en geweld is nooit ver weg. Jongens lopen het gevaar dat gewapende groepen hen rekruteren. Elke nacht zijn er schoten te horen en overdag is het gevaarlijk om in je eentje naar de markt of naar school te gaan.
Begin dit jaar ontstond een nieuwe oorlog toen de militaire rebellengroep M23 richting de stad Goma trok. De groep liet een spoor van extreem geweld en vernielingen achter, waarbij veel mensen om het leven kwamen. Honderdduizenden gezinnen en kinderen moesten vanuit de vluchtelingenkampen waar ze verbleven opnieuw vluchten. Massaal trokken ze naar Goma. En nu keren ze weer terug vanuit de vluchtelingenkampen naar hun eigen dorpen. Patrick, directeur van Red een Kind in DR Congo, ziet dagelijks de impact van het werk van Red een Kind: “We werken in het gebied rondom Goma, waar gezinnen na jarenlange afwezigheid zijn teruggekeerd. Alles is hen afgenomen. Hun huizen zijn leeggeroofd, hun velden verwaarloosd. We bieden daarom hulp op het gebied van voedselzekerheid, bieden psychosociale ondersteuning en creëren kindvriendelijke plekken.”
Zoveel gedachten
De plekken waar de kinderen samenkomen, bieden rust en aandacht. Meestal is de plek te herkennen aan een grote Red een Kind-tent en zijn zorgverleners aanwezig om met de kinderen te spelen. Er is divers speelgoed en tijd voor spelletjes en creativiteit, zoals borduren. Ondertussen letten de zorgverleners op hoe kinderen reageren, omgaan met emoties en of ze extra zorg nodig hebben als gevolg van de trauma’s die ze hebben opgelopen. Zo verloor de twaalfjarige Daudi zijn eetlust door stress en verdriet. “We waren in 2022 op het veld toen het geweld losbarstte. We moesten vluchten. Er waren voortdurend geweerschoten,” vertelt hij. “Dit jaar moesten we opnieuw vluchten door de oorlog en zijn we teruggekeerd naar ons dorp. Onderweg zagen we dode lichamen. Het was zwaar en er gingen zoveel gedachten door mijn hoofd.” Hoe is het leven nu? Daudi: “Het leven is moeilijk. Maar toen er voor ons een plek kwam om te spelen, vergaten we even wat er was gebeurd. We spelen voetbal, kaarten, ook de meisjes doen mee. We zijn blij, want we kunnen spelletjes spelen. Veiligheid is voor mij de Red een Kind-tent.”

Zelf ook gevlucht
De zorgverleners die de kinderen begeleiden, hebben zelf als kind moeten vluchten en weten wat de kinderen hebben meegemaakt. Zo deelt Eric (31 jaar): “Ik denk vaak terug aan de tijd dat ik in 2007 moest vluchten. Ik was toen dertien jaar. Onderweg werden kinderen geraakt door kogels en sommigen kwamen om. We sliepen op straat, hadden geen eten of water. Veel kinderen werden ziek en overleden. Sommige beelden wil ik niet opnieuw zien. Nu ik werk bij Red een Kind, denk ik vaak terug aan die tijd. Ik had gewild dat er toen kindvriendelijke plekken waren geweest, waar we veilig konden spelen. Het geeft me voldoening om nu kinderen te helpen en hen te beschermen tegen de gevaren die ik zelf heb meegemaakt.”
Rust en vertrouwen
De medewerkers van Red een Kind zorgen niet alleen dat kinderen veilig kunnen spelen en leren. Ze begeleiden de kinderen ook in het omgaan met hun emoties. Jolie, moeder van een zoon, ziet hoe hij is veranderd. “Mijn zoon luisterde nooit. Hij gooide zelfs stenen naar me. Maar sinds hij naar de kindvriendelijke plek gaat, is hij een andere jongen. De sessies van Red een Kind geven mij rust en vertrouwen. Ik leer hoe ik met mijn gevoelens kan omgaan. Nu blijf ik rustig en dan gaat alles goed.”
Eigen knuffel
De kindvriendelijke plekken zijn veel meer dan speelplekken. Ze zijn plekken van herstel, hoop en groei. Trauma laat sporen na, vooral bij jonge kinderen. Hun hersenen zijn volop in ontwikkeling en daardoor extra gevoelig voor negatieve invloeden. Daarom is vroege hulp cruciaal. We gebruiken daarvoor het speciaal ontwikkelde psychosociale programma My Friend. Kinderen van vijf tot zeven jaar leren met My Friend omgaan met emoties en stress. Samen met een groep leeftijdsgenootjes en begeleiders gaan ze op avontuur met een bijzondere haas, hun ‘vriend’. Deze haas leert in elke sessie een nieuwe manier om met spanning om te gaan. Denk aan ‘stevig staan als een boom’, praten met een vriend of de ‘butterfly hug’ die troost biedt.
Tijdens het programma maken de kinderen ook een eigen knuffel, My Friend, van lokale materialen. Deze knuffel laat kinderen voelen wat ze geleerd hebben: dat ze niet alleen zijn, dat ze sterk zijn, en dat ze mogen voelen wat ze voelen. Als ze hun knuffel vasthouden weten ze: ik hoor erbij en mag er zijn. Omdat ouders een sleutelrol spelen in het leven van jonge kinderen, volgen zij een parallel programma. Ze leren dezelfde lessen als hun kinderen, aangevuld met eenvoudige oefeningen en voorlichting. Zo ontstaat ook thuis een veilige basis waarin kinderen kunnen groeien en herstellen. Directeur Patrick: “Ik ben trots op wat we zien in de gemeenschappen. Kinderen die weer lachen, ouders die samenkomen in dialoogsessies, gezinnen die weer perspectief hebben.”
