
‘Sponsoring is een manier om geloof concreet te maken’
Sinds kerkelijk werker Wilma Troost het werk van Red een Kind van dichtbij heeft gezien, raakt sponsoring haar persoonlijk. “In veel vergaderingen waar ik aanschuif, vraag ik aandacht voor de kinderen die we sponsoren,” vertelt ze. “Ik wil dat het onderwerp voor iedereen gaat leven.”
In de Zuiderhof, een van de kerkgebouwen van de Christelijk Gereformeerde Kerk in Zwolle, spreken we Wilma. Ze is opgeleid tot leerkracht en woont met haar gezin in Hasselt, waar ze geboren en getogen is. Sinds zeven jaar werkt ze als kerkelijk werker in de CGK in Zwolle, een grote gemeente met drie locaties en bijna vijfduizend leden. Daarvan zijn zo’n 1.200 kinderen jonger dan twaalf jaar. Wilma’s voornaamste taak is ervoor te zorgen dat het kinderwerk goed loopt. Wilma: “Dat betekent dat ik me vooral richt op alle vrijwilligers”, vertelt ze. “Zij moeten hun taak goed kunnen uitvoeren.”
Binnen het kinderwerk is sponsoring een belangrijk thema. De CGK ondersteunt in totaal zeventien kinderen via vier verschillende organisaties. Zeven van hen worden gesponsord via Red een Kind. Aan iedere groep van de kindernevendienst is een kind verbonden.
Zeventien kinderen! Dat zijn heel wat contacten om te onderhouden…
“Dat klopt”, lacht Wilma. “Ik krijg altijd veel post! Ik lees alles, maar gelukkig hoef ik niet alle brieven te beantwoorden, want dat zou enorm veel werk zijn. Per locatie van onze gemeente is er een contactpersoon die de correspondentie verzorgt. Denk aan verjaardagskaarten, een kerstgroet en bijvoorbeeld een bericht wanneer een kind zijn rapport heeft gekregen. Ook zorgt deze contactpersoon ervoor dat de brieven in de kindernevendienst worden voorgelezen.’’

Je gemeente sponsort zeven kinderen via Red een Kind. Wat spreekt je aan in onze manier van werken?
“De korte lijntjes met het werk in de landen en de directe communicatie. Ik krijg regelmatig updates over de kinderen. Maar wat ik misschien wel het allermooiste vind, is de aanpak. Bij Red een Kind draait het uiteindelijk niet om dat ene kind, maar om het hele gezin en de dorpsgemeenschap eromheen. Iedereen wordt betrokken en kan profiteren van voorzieningen, trainingen en nieuwe vaardigheden. Zo wordt er samen gebouwd aan een duurzame toekomst. Dat vind ik ontzettend hoopvol.”
Toen Wilma in 2022 las over een kerkenreis naar Rwanda bedacht ze zich niet en vroeg ze in haar gemeente of ze mee mocht gaan. Niet alleen omdat ze zelf meer wilde weten over het werk, maar vooral met het oog op de gemeente. “Door alle brieven die ik ontving, was ik al enthousiast over het werk van de organisaties”, vertelt ze. “Tegelijk was ik zoekende. Hoe breng je die verhalen tot leven in je eigen gemeente? En hoe maak je mensen en kinderen bewust van onze rijkdom en van het feit dat je als christen niet alleen voor jezelf leeft? Als kerk gaven we al jarenlang geld aan sponsorkinderen, maar het leefde niet echt. Kinderen zagen een foto van een kind ver weg, maar dat bleef toch een ver-van-je-bed-verhaal. Ik dacht: als ik zelf ga, kan ik daarna misschien beter vertellen waar het écht over gaat.”
Hoe heb je de reis naar Rwanda ervaren?
“Wat ik allereerst heel waardevol vond, was dat we als groep duidelijk bespraken wat het doel van de reis was. Ik ging met een aantal predikanten en ik heb er moeite mee om als rijke westerling de toerist uit te hangen. Als mensen zijn we gelijkwaardig, maar je merkt ook dat er anders naar je wordt gekeken. Dat maakt het soms ingewikkeld. Toch heb ik daar al snel ervaren dat het contact werkelijk gelijkwaardig was. Je komt er niet alleen om te brengen, maar ook om te ontvangen. Ik werd geraakt en geïnspireerd door de manier waarop mensen in het leven staan. Ik voelde diep respect en bewondering voor de levensvreugde die ik zag. Ik was zelfs een beetje jaloers op hoe zij elke dag in afhankelijkheid van God leven. Iedere dag kent zijn eigen zorgen. Het belangrijkste is dat de kinderen het goed hebben. En van het weinige dat ze bezitten, wordt altijd gedeeld. Dat maakte mij stil. Want wat zijn we in Nederland soms toch druk met perfectie en steeds meer willen. Het lijkt er dan bijna op alsof we God niet nodig hebben.”

Wat ben je in je werk anders gaan doen na je reis?
“Ik ben bewust meer de verbinding gaan zoeken tussen het jeugdwerk en de diaconie, met als doel meer verdieping te creëren. Jongeren zijn tegenwoordig behoorlijk radicaal. Veel van hen zijn bewust bezig met het milieu en kopen bijvoorbeeld alleen tweedehands kleding. Dat zijn kansen waar we als kerk meer mee kunnen doen. Denk aan een jeugdreis naar een land in het Mondiale zuiden. Zo’n reis moet wat mij betreft niet blijven bij een bijzondere ervaring. Juist daarna is het belangrijk om met jongeren door te praten. Wat heeft het met hen gedaan en wat zouden zij in hun eigen leven anders willen doen? Daarom zoek ik binnen de kerk steeds vaker de samenwerking op. Heel praktisch betekent dit dat we inmiddels een jeugddiaken hebben. Zo kunnen we jongeren actief betrekken bij het diaconale gedachtegoed.”
Wilma benadrukt dat ze nog steeds zoekende is naar manieren om het sponsorwerk onder de aandacht te brengen bij gemeenteleden. “Allereerst zijn we natuurlijk een heel grote gemeente, dat maakt het niet makkelijker”, zegt ze. “En ik kan niet verwachten dat mensen, alleen door mijn persoonlijke verhaal te horen, net zo gaan denken als ik. Misschien heeft de reis mijn werk zelfs moeilijker gemaakt, omdat ik er alleen maar meer passie voor heb gekregen. Maar juist daarom ga ik door. Ik geloof dat sponsoring geen los project is, maar een manier om geloof concreet te maken. Als christen leef je hier op aarde niet voor jezelf. Dat is wat Jezus ons leert. Ik geloof dat het ontzettend belangrijk is dat kinderen dat niet alleen thuis, maar ook in de kerk meekrijgen.”



