“Bwana, mag ik met je mee naar jouw land?” Half grappend spreekt de vriendelijke jongeman, die een vakopleiding volgt in een door ons gesteund programma, mij aan. Ik vertel hem dat dit niet zo eenvoudig zal zijn. Zelfs voor mensen uit dit land met een goede baan, bankrekening en terugkeergarantie is het vaak een heel gedoe.

“Nee, meegaan naar Nederland zit er niet in”, zeg ik. Dan vertrouwt hij me toe dat het er toch een keer van gaat komen. Zijn broer woont al in Engeland en heeft er een baantje in de horeca. “Ik weet wel hoe het moet” vertelt hij geheimzinnig lachend, “er zijn er al een heel stel uit mijn dorp naar Engeland afgereisd.”

 Ik schrijf dit artikel in een comfortabele vliegtuigstoel, terwijl ik over de Middellandse Zee en het ene na het andere Afrikaanse crisisgebied vlieg. Beneden mij verdrinken ook vandaag weer tientallen mensen, terwijl een veelvoud op een wrakkig bootje probeert naar Europa over te steken. Dat zijn de mensen die de statistieken vullen later deze week. Op de keper beschouwd zijn het meestal veelbelovende jonge kerels, die voor zichzelf hebben besloten dat rustig afwachten, tot het ooit in hun land verandert, niks voor hen is. Zij willen wat van hun leven maken en wagen het erop. De kans dat je het wel haalt is tenslotte veel groter dan dat je het niet overleeft. Voor zo’n wenkend perspectief willen ze wel een paar dagen als haringen in een lekke ton zitten.

Rondom mij zitten honderden westerlingen, allemaal met een goede reden om naar Afrika te gaan: op safari, backpacken, voor hun werk. Wat van je leven maken is voor ons heel gewoon. Een visum koop je voor enkele tientallen dollars en een vliegticket voor enkele honderden euro’s. Binnen een dag zit je diep in Afrika. Voor Afrikanen richting Europa pakken de regels anders uit en daarom zitten zij op dat wrakkige bootje. Ik begrijp hen wel, zoals ik ook die jongen begreep. Sterker nog, het doet mij denken aan de verhalen uit mijn eigen familie die als gevolg van de sociaaleconomische omstandigheden voor en na de Tweede Wereldoorlog hun geluk zochten in de Verenigde Staten en Canada. Gelukszoekers zouden zij nu misprijzend worden genoemd. Het leven was toen ook al hard – zoveel is mij uit die verhalen wel bijgebleven– maar de wereld zat wat landverhuizen betreft eenvoudiger in elkaar en 60 miljoen (!) maakten tijdens de emigratiegolven de grote oversteek naar de onbekende, wenkende verten. Het verbaast mij niks dat er parallellen te trekken zijn tussen de emigratiegolven vanuit het door crisis en oorlog getroffen Europa van toen naar het Amerikaanse continent en vanuit het door crisis en geweld getroffen Midden-Oosten en Afrika van nu naar Europa. Het grote verschil is dat de wereld van toen níet en die van vandaag wél op slot zit, althans als je zo’n ‘gelukszoeker’ bent.

Als je de cijfers van de huidige migranten naar Europa bestudeert valt op dat er ongeveer een derde uit Syrië komt, een derde uit andere landen uit Centraal-Azië en Midden-Oosten en een derde uit sub-Sahara Afrika. De laatste groep bestaat uit een heel scala van nationaliteiten waaronder Ethiopiërs, Eritreërs, Somaliërs, Senegal, Ghana, Nigeria, etc.

Wat is nu eigenlijk het echte probleem? De migratiestroom op zich? Natuurlijk kan niet iedereen worden toegelaten. Of vinden we het vervelend dat mensen verdrinken en aanspoelen op onze vakantiestranden? Dat is slecht voor de plaatselijke business. Zijn dit niet vooral de symptomen en zijn de oorzaken voor de migrantenstroom geweld en gebrek aan sociaaleconomisch perspectief voor die massale aantallen steeds beter opgeleide jongeren. Iemand vertelde mij onlangs: “Een jongere in Mali heeft drie keuzes: jihad, drugs of migrant.” In ieder geval vertoont het sprookje van het fort Europa - dat geen boodschap heeft aan de problemen elders, want onze eigen problemen zijn volgens kiezers en politici immers al groot genoeg - inmiddels grote bressen. Die repareren we niet met een paar marineschepen en stoere politieke uitspraken over het lekschieten van de boten van mensensmokkelaars. Natuurlijk zijn dat criminelen van de bovenste plank, maar zij spelen met hun vervoersaanbod in op de grote vraag van gewone mensen om naar Europa te migreren.

 Wat betekent die migratiebeweging overigens voor Afrika? Om eerlijk te zijn: niet zo veel negatiefs. Het gros van de Afrikaanse bevolking is jong en wil wat van hun leven maken. Op het onderwijs is nog veel aan te merken, maar er zijn inmiddels steeds meer landen waar jongeren redelijk tot goed worden opgeleid. Die willen perspectief op werk. Als zij –met behulp van de hele familie- de duizenden dollars bijeen hebben geschraapt om te tocht te kunnen betalen, wagen ze het erop. Dat zijn niet de armste, maar wel de meest ondernemende jongeren. De rijkste zijn al veel eerder vertrokken en hebben op kosten van de portemonnee van een rijke papa, een westerse opleiding genoten en daarna lang niet allemaal teruggekeerd. Zo waren er jaren geleden al meer Malawiaanse dokters in Groot-Brittannië dan in Malawi zelf, op zich een gevoelige brain drain. Maar de verhoudingsgewijs kleine groep jongeren die nu de reis onderneemt, mis je niet in de Afrikaanse economieën. Sterker nog, als hun tocht slaagt en ze een legaal of illegaal baantje weten te bemachtigen, ontstaat er een geldstroom richting familie. Inmiddels heeft de Wereldbank becijferd dat de omgekeerde geldstroom van migranten op wereldschaal 320 miljard dollar (!) bedraagt. Daardoor worden heel veel families weer vooruit geholpen. Als de migranten ooit weer naar huis gaan (en dat doen er heel veel, uit onderzoek blijkt dat minimaal een derde teruggaat) nemen zij een schat aan kennis en ervaring mee, waarmee ze thuis hun voordeel doen.

 

Het Nederlandse beleid, waarbij jonge migranten in de illegaliteit wordt gedrukt, is naar eigen zeggen gericht op ontmoediging en terugkeer. Nog afgezien van het feit dat Europa in de praktijk lang niet op één lijn zit, is dat een vrij kansloze visie als je de stroom wilt indammen. Alsof die jongeren überhaupt verwachten dat Europa hen met open armen ontvangt. De wens om -desnoods in de illegaliteit- er toch iets van te maken is groter dan de angst om te verdrinken, laat staan dat de procedures die we hier bedenken ontmoedigend zouden zijn.

 

We zullen iets beters moeten bedenken om de huidige stroom migranten te kanaliseren en in te dammen. Allereerst zullen we onze ogen moeten openen voor wat er echt aan de hand is. Niet meer wegkijken bij crises, waaraan we zelf hebben bijgedragen. De chaos in Libië, Irak en Syrië, waardoor de migrantenstroom een enorme impuls heeft gekregen, is niet los te zien van de veel te gemakkelijke, drieste of ondoordachte westerse antwoorden op serieuze problemen. De perspectiefloosheid in veel landen in sub-Sahara Afrika is niet los te zien van het feit dat de westerse wereld na de koude oorlog dat continent eerst de rug heeft toegekeerd en vervolgens een wisselend, onsamenhangend beleid voert op basis van veel te gemakkelijke (en goedkope) slogans als “geen aid maar trade”. Lang is er weggekeken in plaats van proberen te begrijpen hoe de problemen in Afrika (en andere regio’s) samenhangen. Laat staan dat een lange termijn visie consequent is uitgevoerd. Dat heeft China een stuk beter begrepen met alle kritiek die je ook daarop kunt hebben. Het is niet verwonderlijk dat de politieke invloed van het westen in Afrika door dit alles tot een minimum is geslonken. Inmiddels presenteren de gevolgen van dit alles zich aan onze kusten.

 

Dus wat te doen? Voor Afrika is het gebrek aan perspectief voor jongeren een sleutelprobleem met grote sociale, economische en politieke draagwijdte. Die jonge Afrikaanse migranten zijn daar het symptoom van. Tegelijkertijd vormen jongeren een geweldig potentieel voor Afrika. Voor echte veranderingen in de samenleving heb je hun kritische creativiteit en vindingrijkheid nodig. In het creëren van perspectief ligt tevens de oplossing voor het vluchtelingenstroom vanuit sub-Sahara Afrika. Dat vereist een soort internationaal deltaplan gericht op de oorzaken. Voor de oorlogsgebieden in het Midden Oosten is het niet anders, waarbij eerst het conflict moet worden beteugeld. Overigens komt van alle vluchtelingen uit deze regio maar een miniem percentage (de meer ondernemende met meer kansen) naar Europa.

 

Perspectief kan op verschillende manieren worden geboden. Waarom nodigen we kansrijke jongeren niet uit voor een beurs en opleiding in Europa en helpen we hen economische mogelijkheden aan te boren, bedrijven op te zetten en werkgelegenheid te creëren als ze teruggaan? Waarom zetten we daar niet veel meer in op jongeren en werk? Waarom werken we op dit gebied niet veel meer met China samen, dat in Afrika een economische factor van betekenis is? Waarom wordt het programma dat investeringen van Westerse bedrijven steunt niet veel meer verbonden aan werkgelegenheidseisen voor jongeren? Waarom leiden we vluchtelingen niet nog beter op onder voorwaarde dat ze teruggaan en begeleiden we hen bij het opzetten van eigen bedrijven? Politici en beleidsmakers: wees creatief en zie de oorzaken onder ogen! De huidige symptoombestrijding is dweilen met de kraan open.

 

Als we niet bereid zijn slimmere oplossingen te bedenken dan een soort weeshuizen voor jongeren die terugkeren, zoals dat enkele jaren geleden serieus (sic!) werd verzonnen, verdienen wij niet dat wij van ons morele probleem afkomen. Onder het mom onze identiteit te bewaren offeren we inmiddels onze waarden op. Waar is het Europa dat in de jaren zeventig de Vietnamese bootvluchtelingen ruimhartig opnam? Iedereen is het er over eens dat de kraan dichtmoet, maar laten de echte problemen aanpakken in plaats van de symptomen. Dat vergt de politieke moed populistische standpunten te verlaten die ons in de recente jaren veel onheil hebben gebracht. We zijn verblind als we dat niet (willen) zien.

 

Leo Visser,
Directeur Red een Kind


Terug naar overzicht